ECLI:NL:CRVB:2006:AW2416

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-668 MPW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 UgmArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering teveel betaalde uitkering gewezen militairen

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de terugvordering van een bedrag van €1.990,84 wegens teveel betaalde uitkering aan gewezen militairen bevestigde. De terugvordering betrof neveninkomsten die boven de vrijstellingen uitkwamen over de periode mei tot en met december 2001.

Appellant voerde aan dat hij redelijkerwijs niet kon weten dat hij teveel uitkering ontving, mede omdat hij na het indienen van het eerste maandformulier geen verdere maandformulieren ontving en geen actie van gedaagde zag. Hij meende dat er een akkoord was over een jaarafrekening in plaats van een maandelijkse verrekening.

De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank dat appellant op de hoogte was van de maandelijkse verrekeningssystematiek en de verplichting tot onverwijlde opgave van inkomsten. Het uitblijven van verdere formulieren en actie door gedaagde was betreurenswaardig maar onontvankelijkheid van de informatieplicht van appellant volgde hier niet uit.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af. Appellant droeg het risico dat een teveelbetaling pas achteraf werd geconstateerd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €1.990,84 wegens teveel betaalde uitkering.

Uitspraak

05/668 MPW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op bij beroepschrift uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 december 2004, nummer AWB 03/2238 MPW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft de gronden van zijn hoger beroep vervolgens nog schriftelijk aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. P.M. Groenhart als zijn raadsman. Gedaagde heeft zich, met voorafgaand bericht, niet ter zitting doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank bij de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen.
Ook in hoger beroep staat ten gronde ter beantwoording de vraag of door gedaagde op goede gronden een bedrag van € 1.990,84 van appellant - wegens, per maand berekend, boven de hem toekomende vrijstellingen uitgaande neveninkomsten - is teruggevorderd als over de periode van mei tot en met december 2001 teveel betaalde uitkering ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen (Ugm).
De door en namens appellant ingebrachte grieven zijn toegespitst op de stelling dat hij, als gevolg van handelen en nalaten van en namens gedaagde, ten tijde hier van belang redelijkerwijs niet heeft kunnen weten dat hij teveel uitkering ontving. In bijzonder is daarbij gewezen op de omstandigheid dat hij, na indiening van het eerste maandformulier tot opgave van werk en inkomen waarin hij uitdrukkelijk had aangegeven dat het om een jaaropgave over 2000 ging, geen verdere maandformulieren meer heeft ontvangen. Daaruit, gevoegd bij het uitblijven van enige verdere actie zijdens gedaagde, heeft appellant gemeend te mogen afleiden dat gedaagde akkoord was gegaan met een afrekening per jaar in plaats van per maand.
Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak kan de Raad deze grieven niet onderschrijven. De Raad kan de hiertoe door de rechtbank gehanteerde overwegingen geheel onderschrijven en maakt deze tot de zijne.
Ook naar het oordeel van de Raad dient, mede gelet op de inhoud van de appellant verstrekte brochures, ervan te worden uitgegaan dat appellant op de hoogte was van de aan artikel 5, eerste lid, van de Ugm ontleende, gebruikelijke - door de Raad in vaste rechtspraak ook onderschreven - verrekeningssystematiek per maand en van de verplichting om onverwijld opgave te doen van inkomsten. Dat vanwege gedaagde geen verdere maandformulieren zijn toegezonden en van die zijde ook overigens niet direct actie is ondernomen, valt op zich - naar ook gedaagde heeft aangegeven - te betreuren, maar is niet voldoende om appellant van zijn informatieverplichting ontheven te achten. Door die informatie niet dadelijk zelfstandig te verstrekken heeft appellant het, voor zijn rekening komende, risico genomen dat pas achteraf een teveelbetaling zou worden geconstateerd.
Al hetgeen appellant in hoger beroep verder heeft doen aanvoeren heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Koerts als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) R.E. Koerts.
HD
10.02