ECLI:NL:CRVB:2006:AW1584

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1945 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over de hoogte van de gedifferentieerde WAO-premie na overgang van onderneming

In deze zaak heeft appellante, vertegenwoordigd door haar directeur en een accountant, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Middelburg. De rechtbank had eerder het beroep van appellante tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ongegrond verklaard. Dit besluit betrof de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2001, die was vastgesteld op 4,21%. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek, omdat de onderneming van appellante na een verbouwing was voortgezet onder een nieuwe naam, maar met behoud van de identiteit van de onderneming.

Appellante betwistte in hoger beroep de conclusie van de rechtbank. Zij voerde aan dat het karakter van het hotel was veranderd van een eenvoudig hotelbedrijf naar een drie sterrenbedrijf, dat slechts een deel van de inventaris was overgenomen, en dat de goodwill en handelsnaam geen waarde hadden. Ook stelde zij dat de klantenkring was gewijzigd en dat er slechts één personeelslid was overgenomen. De Raad voor de Rechtspraak heeft de argumenten van appellante in hoger beroep beoordeeld en kwam tot de conclusie dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er sprake was van een overgang van onderneming. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de identiteit van de onderneming was behouden, ondanks de door appellante aangevoerde omstandigheden.

De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak bevestigd en geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 9 maart 2006 door een collegiaal trio van rechters, met N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter.

Uitspraak

05/1945 WAO
U I T S P R A A K
in het g[vestigingsplaats]en:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft [betrokkene], accountant-administratieconsulent te Franeker, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 24 februari 2005, kenmerk 04/500.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 januari 2006, waar voor appellante zijn verschenen [directeur appellante], directeur van appellante en [betrokkene]. Gedaagde heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten en de wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.
[directeur appellante] heeft blijkens de koopovereenkomst van 17 september 1998 het hotel-café-restaurant [naam hotel-café-restaurant] van de Firma [naam firma] gekocht, evenals de inventaris (met uitzondering van de hotelkamerinrichting), de goodwill en de handelsnaam. In de akte van levering van 11 december 1998, waarin [directeur appellante] en [betrokkene] tezamen als koper zijn genoemd, is vermeld dat de koper het verkochte zal gebruiken als hotel-café-restaurant, en dat van de totale koopprijs een gedeelte is bestemd voor de roerende zaken, inventaris en handelsnaam. Appellante is op 29 april 1999 opgericht en heeft na de verbouwing in mei 1999 de exploitatie van het hotel hervat onder de naam [handelsnaam].
Bij besluit van 4 juli 2004 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 november 2000, waarbij de gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het jaar 2001 is vastgesteld op 4,21%, ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 4 juli 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat bij de vaststelling van de premie voor het jaar 2001 terecht rekening is gehouden met de omstandigheid dat de onderneming na 1 januari 1998 gedeeltelijk is ontstaan uit een andere onderneming. De rechtbank heeft onder meer in aanmerking genomen dat appellante de feitelijke exploitatie van hotel-café-restaurant [naam hotel-café-restaurant] na een onderbreking wegens verbouwing heeft hervat en daarbij de onroerende zaak, de keukeninventaris, een deel van de restaurantinventaris en de kegelbanen heeft overgenomen.
In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Zij heeft onder meer erop gewezen dat het karakter van het hotel van een eenvoudig hotelbedrijf na een grondige renovatie in een drie sterrenbedrijf is gewijzigd, dat de inventaris slechts voor een deel is overgenomen, dat de goodwill en de handelsnaam geen waarde hadden, dat de klantenkring is gewijzigd, dat slechts één personeelslid is overgenomen en ten slotte, dat de activiteiten van september 1998 tot de opening in mei 1999 zijn onderbroken.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de identiteit van de onderneming is behouden en dat sprake is van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 van het BW. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Bij het licht van de gegevens welke erop wijzen dat appellante het hotelbedrijf feitelijk heeft voortgezet, komt aan de door appellante genoemde omstandigheden niet een zodanig gewicht toe dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat in het onderhavige geval geen overgang van onderneming heeft plaatsgevonden.
Het voorgaande brengt mee dat aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) M. Renden.