ECLI:NL:CRVB:2006:AV8860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering vergoeding wettelijke rente over nabetaalde WAO-uitkering 1979-1991
Appellant, die een WAO-uitkering ontving wegens arbeidsongeschiktheid, vorderde vergoeding van wettelijke rente over de periode van 1 september 1979 tot en met 31 mei 1991, waarin achterstallige uitkeringen in 1991 zijn nabetaald.
De rechtbank stelde vast dat de besluiten die de arbeidsongeschiktheid van appellant bepaalden onrechtmatig waren en dat de wettelijke rente voortvloeit uit deze onrechtmatige besluiten. Echter, op grond van artikel 1286, derde lid, van het oude Burgerlijk Wetboek, is wettelijke rente pas verschuldigd na aanmaning. Appellant had pas op 8 augustus 2000 een verzoek tot vergoeding van rente ingediend, wat te laat was omdat de nabetaling al in 1991 had plaatsgevonden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht het verzoek om rentevergoeding heeft afgewezen. Het hoger beroep van appellant bevatte geen nieuwe feiten of argumenten die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad zag ook geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 april 2006 en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV hoeft geen wettelijke rente te vergoeden over de nabetaalde WAO-uitkering.