ECLI:NL:CRVB:2006:AV8543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging ziekengeld wegens rugsparend werk
Appellant werd wegens rugklachten arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering. In 2002 werd vastgesteld dat hij geschikt was voor rugsparend werk, waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) besloot het ziekengeld per 1 maart 2002 te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders.
De Raad stelt vast dat de medische rapporten de geschiktheid voor rugsparend werk ondersteunen, met name voor de functie van assemblagemedewerker. Echter, het besluit om appellant met terugwerkende kracht per 1 maart 2002 hersteld te verklaren, was niet zorgvuldig genomen. Appellant kon niet redelijkerwijs eerder begrijpen dat hij hersteld was, waardoor het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb Pro.
De Raad bepaalt dat de hersteldverklaring pas per 6 maart 2002 kan ingaan, de datum van verzending van het primaire besluit. Omdat er geen aanwijzingen zijn dat de gezondheidstoestand op die datum anders was, wordt het besluit vernietigd en wordt vastgesteld dat appellant vanaf 6 maart 2002 geen recht meer heeft op ziekengelduitkering. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit om appellant per 1 maart 2002 hersteld te verklaren wordt vernietigd en vastgesteld dat hij vanaf 6 maart 2002 geen recht meer heeft op ziekengeld.