ECLI:NL:CRVB:2006:AV6395

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-7227 AW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 7:12 AwbArt. 21 BeroepswetArtikel B.11 CAP
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vernietiging ontslag wegens plichtsverzuim

Gedaagde was werkzaam als brugwachter-kantonnier bij de provincie Zuid-Holland en werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim nadat was vastgesteld dat hij vanaf werk via betaalde 0906-nummers pornografische websites had bezocht.

De rechtbank vernietigde het ontslagbesluit omdat verzoekers onvoldoende onderzoek hadden gedaan naar het bezoek van dergelijke websites door andere medewerkers, waardoor de opgelegde straf van ontslag mogelijk niet evenredig was. De rechtbank oordeelde dat een nadere motivering en onderzoek nodig waren.

Gedeputeerde Staten stelden hoger beroep in en verzochten de voorzieningenrechter om schorsing van de uitspraak van de rechtbank. Zij voerden aan dat het opnieuw moeten onderzoeken en beslissen onevenredige nadelige gevolgen zou hebben.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het enkele vermoeden dat de uitspraak van de rechtbank niet stand zal houden geen spoedeisend belang vormt. Bovendien leidt de uitspraak niet tot herstel van het dienstverband en is het risico van nadelige gevolgen voor de provincie onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werden de proceskosten ten laste van verzoekers opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

05/7227 AW-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, in het geding tussen:
Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, verzoekers,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoekers is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 26 augustus 2005, nr. Awb 004//820 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Hierbij hebben verzoekers tevens verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 januari 2006, waar verzoekers zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. G.D. Aiken, werkzaam bij de provincie Zuid-Holland. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Rengelink, advocaat te Amsterdam.
II. MOTIVERING
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Gedaagde was werkzaam als brugwachter-kantonnier bij de provincie Zuid-Holland. Naar aanleiding van een melding van KPN over hoog oplopende telefoonkosten hebben verzoekers op basis van de van KPN ontvangen specificaties vastgesteld dat gedaagde op een tweetal bedieningsposten vanaf de daar aanwezige personal computer via (betaalde) 0906-nummers heeft ingebeld op pornografische websites.
1.2. Bij besluit van 24 juni 2003 hebben verzoekers gedaagde met toepassing van artikel B.11, onder n, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP), wegens ernstig plichtsverzuim de straf opgelegd van disciplinair ontslag en tevens bepaald dat de berokkende schade ten bedrage van € 1.304,78 wordt verrekend met de slotbetaling en dat het eventueel resterende bedrag op factuur door gedaagde moet worden voldaan. Verzoekers hebben dit besluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 14 januari 2004.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, verzoekers opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en voorts bepalingen gegeven omtrent betaling van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat vaststaat dat gedaagde zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, dat dit plichtsverzuim aan gedaagde kan worden toegerekend en dat verzoekers dus bevoegd waren gedaagde een straf op te leggen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat in het algemeen bij het bezoeken van pornosites vanaf de werkplek de straf van ontslag evenredig is, maar dat dit anders kan liggen als de leidinggevende zelf of collega’s eveneens pornosites bezoeken of indien het bezoeken van pornosites wordt getolereerd. Nu gedaagde volgens de rechtbank aannemelijk had gemaakt dat dergelijke sites ook door andere medewerkers van de provincie werden bezocht en verzoekers daaromtrent geen nader onderzoek hadden ingesteld, heeft de rechtbank geoordeeld dat het zonder dit nadere onderzoek naar de omstandigheden niet mogelijk was om te beoordelen of de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan het verweten gedrag. De rechtbank was daarom van oordeel dat het bestreden besluit was genomen in strijd met het in artikel 7:12 van Pro de Awb neergelegde beginsel dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
3. Verzoekers hebben tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de Raad verzocht bij wijze van voorlopige voorziening de aangevallen uitspraak te schorsen. Verzoekers menen dat de uitspraak van de rechtbank op de in het beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep niet in stand zal kunnen blijven. Verzoekers menen voorts dat het onevenredig nadelige gevolgen heeft voor de provincie indien verzoekers thans een nieuwe beslissing op bezwaar zouden moeten nemen. Verzoekers zijn dan namelijk gedwongen bij het nemen van een nieuwe beslissing uit te gaan van overwegingen van de rechtbank die naar het oordeel van verzoekers volstrekt onjuist zijn. Verzoekers zien dan ook niet in waarom zij hangende hoger beroep onnodig veel tijd en energie moeten steken in een nader onderzoek en nieuwe beslissing op bezwaar en vervolgens waarschijnlijk worden geconfronteerd met een nieuw beroep en mogelijk een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening.
3.1. Namens gedaagde is weersproken dat evident zou zijn dat de uitspraak van de rechtbank geen stand kan houden. Aangevoerd is dat de rechtbank terecht een nadere en betere motivering noodzakelijk heeft geacht om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen met betrekking tot de evenredigheid van het strafontslag.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de
Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. De enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoekers niet in stand zal kunnen blijven vormt op zichzelf niet een voldoende grondslag voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd.
4.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aangevallen uitspraak voor verzoekers niet meer en niet minder inhoudt dan het met inachtneming van de overwegingen van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Die overwegingen houden in dat verzoekers een nader onderzoek dienen in te stellen naar vergelijkbare gedragingen van leidinggevende(n) en collega(’s). De aangevallen uitspraak noopt (nog) niet tot het herstel van het dienstverband met gedaagde, nu het handhaven van het strafontslag door de overwegingen van de rechtbank geenszins op voorhand is uitgesloten of vrijwel onmogelijk is gemaakt.
4.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leveren de door verzoekers aangevoerde redenen niet een zwaarwegend (spoedeisend) belang op als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb. De door verzoekers geschetste nadelen aan onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak gaan niet uit boven hetgeen in het algemeen, krachtens het wettelijk stelsel zoals onder 4.1. en 4.2. weergegeven, voor rekening van het betrokken bestuursorgaan dient te worden gelaten. Dat verzoekers daarbij voor onoverkomelijke problemen worden gesteld acht de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt of gebleken.
4.5. Evenmin ziet de voorzieningenrechter een grond voor de gevraagde voorziening omdat over het nieuw te nemen besluit opnieuw zou moeten worden geprocedeerd.
Het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak te nemen nieuwe besluit wordt immers betrokken bij en maakt deel uit van het door verzoekers aanhangig gemaakte geding in hoger beroep. Tenslotte vormt ook het gegeven dat gedaagde inmiddels elders werkzaam onvoldoende grond om de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen.
6. Gegeven het vorenstaande wordt het verzoek wegens gebrek aan spoedeisend belang afgewezen.
7. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande aanleiding verzoekers met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde ten bedrage van € 644,-
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af;
Veroordeelt verzoekers in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de provincie Zuid-Holland aan de griffier van de Raad.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2006.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.
JvS
2401