ECLI:NL:CRVB:2006:AV6294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering na wachttijd met in stand laten rechtsgevolgen
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van een WAO-uitkering na afloop van de wachttijd, omdat hij door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als minder dan 15% arbeidsongeschikt werd aangemerkt. De rechtbank had het besluit in stand gelaten, maar appellant betwistte dat hij geschikt zou zijn voor de geselecteerde functies, ook niet in aangepast werk.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat appellant medisch niet voldoende is onderbouwd om niet geschikt te zijn voor de functies. Het rapport van arts Georgiou, die appellant niet onderzocht heeft, ondersteunt dit oordeel niet. De arbeidskundige beoordeling is gebaseerd op het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), dat in eerdere uitspraken als in beginsel rechtens aanvaardbaar is beschouwd, mits de verslaglegging en motivering voldoen aan hoge eisen.
In dit geval is de aanvankelijk ontbrekende arbeidskundige onderbouwing in de loop van de procedure alsnog geleverd door een bezwaararbeidsdeskundige, wat de Raad overtuigend acht. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand conform artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten en bepaalt vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.