ECLI:NL:CRVB:2006:AV4157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het verlies van recht op WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid door ziekte
Appellant is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg die het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) bevestigde dat appellant geen recht meer heeft op een WW-uitkering vanaf 19 mei 2003. Dit besluit was gebaseerd op het feit dat appellant zich wegens ziekte niet beschikbaar stelde voor de arbeidsmarkt.
De Raad voor de Rechtspraak heeft het geschil beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) zoals die ten tijde van het geschil van toepassing was. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en oordeelt dat de door appellant in hoger beroep aangevoerde argumenten geen nieuwe inzichten bieden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
De rechtbank had overwogen dat appellant onmiskenbaar en duidelijk te kennen heeft gegeven zich vanaf 19 mei 2003 niet beschikbaar te stellen voor arbeid vanwege zijn gezondheidstoestand. Dit werd onder meer ondersteund door een werkbriefje waarin appellant aangaf ziek en niet geschikt voor de arbeidsmarkt te zijn in de periode van 19 mei tot 15 juni 2003. Er was geen bewijs dat appellant nadien zijn standpunt over beschikbaarheid had gewijzigd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het besluit van het UWV en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M.A. Hoogeveen in aanwezigheid van griffier L. Karssenberg op 1 maart 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 19 mei 2003 geen recht meer heeft op WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid door ziekte.