ECLI:NL:CRVB:2006:AV3129
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij geschil over arbeidsongeschiktheidsuitkering
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) die zijn arbeidsongeschiktheidspercentage verlaagde van 80-100% naar minder dan 15%, waardoor hij geen uitkering meer ontvangt. Hij stelt hierdoor in financiële problemen te zijn gekomen omdat hij naast zichzelf ook zijn echtgenote en twee minderjarige kinderen moet onderhouden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker zijn financiële situatie onvoldoende heeft onderbouwd met concrete gegevens. Er is daardoor geen aannemelijk bewijs dat de verlaging van de uitkering heeft geleid tot een onhoudbare financiële noodsituatie. Ook is niet gebleken van een zodanig zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.
Op grond hiervan wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens worden geen proceskosten aan verzoeker toegekend. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 1 maart 2006.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van een onhoudbare financiële noodsituatie.