ECLI:NL:CRVB:2006:AV3129

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-6983 WAO-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 18 BwArt. 21 Bw
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij geschil over arbeidsongeschiktheidsuitkering

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) die zijn arbeidsongeschiktheidspercentage verlaagde van 80-100% naar minder dan 15%, waardoor hij geen uitkering meer ontvangt. Hij stelt hierdoor in financiële problemen te zijn gekomen omdat hij naast zichzelf ook zijn echtgenote en twee minderjarige kinderen moet onderhouden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker zijn financiële situatie onvoldoende heeft onderbouwd met concrete gegevens. Er is daardoor geen aannemelijk bewijs dat de verlaging van de uitkering heeft geleid tot een onhoudbare financiële noodsituatie. Ook is niet gebleken van een zodanig zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.

Op grond hiervan wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens worden geen proceskosten aan verzoeker toegekend. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 1 maart 2006.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van een onhoudbare financiële noodsituatie.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/6983 WAO-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
Inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met
artikel 21 van Pro de Beroepswet (Bw) in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoeker heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, op de in het beroepschrift vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 19 april 2005 tussen partijen gewezen uitspraak,
reg. nr. 04/790 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij afzonderlijk schrijven van 6 december 2005 is namens verzoeker tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Awb.
Het verzoek is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 februari 2006, waar namens verzoeker is verschenen
mr. Verkoeijen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In gevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Bw in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van Pro de Bw hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ten aanzien van de vraag of er in casu sprake is van onverwijlde spoed overweegt de voorzieningenrechter van de Raad het volgende.
Namens verzoeker is aangevoerd dat de spoedeisendheid is gelegen in het feit dat hij ten gevolge van de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%, in plaats van 80 tot 100%, in een financiële noodsituatie is komen te verkeren. Verzoeker dient, naast zichzelf, zijn echtgenote en zijn twee minderjarige kinderen te onderhouden. Door de verlaging van zijn uitkering is dit een onmogelijke opgave gebleken. Tevens heeft de gemachtigde van verzoeker aangegeven dat gedaagde bij beslissing van 11 november 2005 het arbeidsongeschiktheidspercentage op minder dan 15% heeft vastgesteld. Verzoeker ontvangt thans geen arbeidsongeschiktheidsuitkering meer.
De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker zijn standpunt niet heeft onderbouwd met gegevens die inzicht geven in zijn financiële situatie. Verzoeker heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij door verlaging van zijn arbeidsonge- schiktheidsuitkering in een onhoudbare financiële noodsituatie is geraakt. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.