ECLI:NL:CRVB:2006:AV2549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vrijheidsberoving tijdens Japanse bezetting
Eiseres, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in september 2003 een aanvraag in voor erkenning als vervolgingsslachtoffer en toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster wees deze aanvraag bij besluit van 28 juli 2004 af, omdat niet was aangetoond dat eiseres vervolging in de zin van de wet had ondergaan. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar.
Eiseres voerde aan dat zij tijdens de Bersiap-periode in een kamp in Malang verbleef, maar uit het sociaal rapport en overige gegevens bleek dat zij en haar familie vanwege hun Indische achtergrond niet door de Japanse bezetter waren geïnterneerd. Zij woonde en werkte bij haar grootouders op een melkerij. Er was geen bewijs van vrijheidsberoving door de vijandelijke bezetter zoals vereist volgens artikel 2 van Pro de WUV.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht was genomen en dat er geen grond was voor vernietiging. Ook de stelling van eiseres dat zij niet over relevante stukken beschikte werd verworpen, omdat zij deze stukken begin november 2004 had ontvangen en gehoord was door een assistent van de WUV-afdeling. De Raad wees het beroep af en kende geen proceskostenvergoeding toe op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 februari 2006.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat niet is vastgesteld dat zij vrijheidsberoving heeft ondergaan tijdens de Japanse bezetting.