ECLI:NL:CRVB:2006:AV2161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige onderbouwing
Appellant, arbeidsongeschikt verklaard met een WAO-uitkering van 80-100%, kreeg deze uitkering ingetrokken per 11 september 2002 omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. Dit besluit werd bevestigd in bezwaar en door de rechtbank ongegrond verklaard. In hoger beroep stelde appellant dat de arbeidskundige onderbouwing van het besluit onvoldoende was, mede vanwege gebreken in het gebruikte Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).
De Raad overwoog dat de medische beoordeling geen aanleiding gaf tot andere conclusies dan de rechtbank. Wel oordeelde de Raad dat de arbeidskundige motivering onvoldoende transparant en toetsbaar was, omdat het CBBS-systeem signaleringen niet in de dossierstukken opnam en niet alle belastingpunten adequaat gekoppeld waren. Hierdoor ontbrak het aan een toereikend niveau van verifieerbaarheid.
De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand op grond van artikel 8:72 Awb Pro. Tevens veroordeelde de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de arbeidskundige onderbouwing, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.