ECLI:NL:CRVB:2006:AV2071

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4942 NIOAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 IoawArt. 36 Ioaw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging oplegging arbeidsverplichtingen aan uitkeringsgerechtigde op grond van Ioaw

Appellante en haar echtgenoot ontvangen een periodieke uitkering op grond van de Ioaw. Aanvankelijk waren zij vrijgesteld van arbeidsverplichtingen, maar na medisch advies van het Regionaal Indicatie Orgaan Rivierenland (Rio) van 23 oktober 2002 legde het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren op 17 december 2002 opnieuw arbeidsverplichtingen aan appellante op, waarbij rekening werd gehouden met haar geschiktheid voor aangepaste taken.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar na een aanvullende beoordeling door het Rio en een hoorzitting verklaarde het College haar bezwaar ongegrond bij besluit van 30 september 2003. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij om medische of andere redenen niet aan de arbeidsplicht kon voldoen. De medische adviezen van het Rio en de verklaring van de huisarts overtuigden de Raad niet van ongeschiktheid voor aangepaste werkzaamheden. De Raad bevestigde daarom het besluit om de arbeidsverplichtingen op te leggen en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de oplegging van arbeidsverplichtingen aan appellante op grond van de Ioaw.

Uitspraak

04/4942 NIOAW
E N K E L V O U D I G E K A M E R
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 augustus 2004, reg.nr. 03/2599.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 januari 2006, waar appellante is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M. Meijering, werkzaam bij de gemeente Buren.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante en haar echtgenoot ontvangen een periodieke uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw).
Nadat gedaagde aanvankelijk appellante en haar echtgenoot had vrijgesteld van de aan de uitkering verbonden arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 35 van Pro de Ioaw, heeft gedaagde bij het Regionaal Indicatie Orgaan Rivierenland (hierna: Rio) medisch advies ingewonnen ter zake van de arbeidsgeschiktheid van appellante.
Naar aanleiding van het advies van het Rio van 23 oktober 2002 heeft gedaagde bij besluit van 17 december 2002 wederom de arbeidsverplichtingen aan appellante opgelegd, waarbij is overwogen dat appellante blijkens het medische advies geschikt is voor aangepaste taken en dat zware taken door het Rio worden afgeraden.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Gedaagde heeft zich naar aanleiding van hetgeen tijdens de hoorzitting aan de orde is gekomen nogmaals tot het Rio gewend. Bij schrijven van 21 maart 2003 heeft het Rio vragen van gedaagde beantwoord. Vervolgens is bij besluit van 30 september 2003 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de thans aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van
30 september 2003 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
Hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen brengen dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
Uitgangspunt van de Ioaw is dat een ieder primair zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. Dit uitgangspunt betekent dat aan appellante de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Ioaw dient te worden opgelegd tenzij redenen van medische of sociale aard dan wel redenen gelegen in de aard en het doel van de uitkering zich daartegen zouden verzetten. In dat geval kunnen burgemeester en wethouders op grond van artikel 36 van Pro de Ioaw besluiten verplichtingen bedoeld in artikel 35 van Pro de Ioaw niet op te leggen.
De Raad acht door appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan haar de arbeidsplicht om medische dan wel om andere redenen niet zou kunnen worden opgelegd. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen. Niet gezegd kan worden dat gedaagde, bezien vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid, niet mocht afgaan op de adviezen die het Rio ten behoeve van het primaire besluit van 17 december 2002 alsmede in de bezwaarfase aan gedaagde heeft doen toekomen.
De verklaring van appellantes huisarts, bij wie de arts van het Rio ten behoeve van zijn advies reeds informatie had ingewonnen, leidt ook de Raad niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaring blijkt niet dat appellante niet in staat is tot het verrichten van werkzaamheden. De Raad tekent hierbij nog aan dat gedaagde, in navolging van het advies van het Rio, uitdrukkelijk heeft aangegeven dat appellante geschikt wordt geacht voor het verrichten van aangepaste, niet zwaar lichamelijke werkzaamheden.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
RB3001