ECLI:NL:CRVB:2006:AV0791

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1583 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit

Eiser heeft een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te komen voor een toeslag en uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Verweerster heeft dit verzoek afgewezen omdat eiser weliswaar getroffen is door oorlogsgeweld, maar niet voldoet aan de eis van blijvende invaliditeit door lichamelijk of psychisch letsel.

De Raad heeft het beroep behandeld en beoordeeld aan de hand van medische adviezen, waaronder een rapport van arts G.J. Laatsch. Hieruit blijkt dat eiser lijdt aan een lichte tot matige chronische posttraumatische stress-stoornis met lichte beperkingen, maar zonder blijvende invaliditeit volgens de AMA-scales.

De Raad oordeelt dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig is voorbereid. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het besluit en de medische beoordeling. Ook het argument van eiser dat hij recht heeft op een uitkering vanwege zijn oorlogservaringen wordt verworpen omdat de Wet deze vorm van schadeloosstelling niet voorziet.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit door psychisch letsel.

Uitspraak

05/1583 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 24 februari 2005, kenmerk JZ/E60/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 december 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in 1925, heeft in mei 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in
artikel 19 van Pro de Wet, een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen. Dit verzoek heeft eiser gebaseerd op gezondheidsklachten, waaronder met name psychische klachten, die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 28 oktober 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat eiser weliswaar getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten: het opgepakt zijn bij een razzia in Rotterdam in november 1944, zijn tewerkstelling bij BMW te München, zijn tewerkstelling bij Hohenbrugg a/d Raab, en zijn tewerkstelling bij vliegveld Freising - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit.
In beroep heeft eiser zich met name gekeerd tegen verweersters opvatting dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch letsel. Voorts is hij van opvatting dat hij naar aanleiding van al hetgeen hij in de oorlog heeft meegemaakt recht heeft op een uitkering.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken is de bestreden zienswijze van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op de resultaten van een door de arts G.J. Laatsch ingesteld medisch onderzoek van eiser. In het door de arts Laatsch uitgebrachte rapport is aangegeven dat bij eiser sprake is van een lichte tot matige chronische posttraumatische stress-stoornis, welk causaal psychisch letsel alleen lichte beperkingen geeft in rubriek 1 der AMA-scales. Op grond van het causale psychische letsel is er geen sprake van zodanige beperking, dat gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. Het betreft hier met name klachten die berusten op het verstoorde doorslapen 2 à 3 keer per week door oorlogsgerelateerde nachtmerries, die gepaard gaan met motorische onrust en fysiologische spanningsverschijnselen. In dit verband is gemotiveerd beschreven dat eiser een actieve, voldoende gevulde dagindeling heeft en dat in de drie rubrieken, te weten sociale contacten, concentratie en stress-adaptatie, geen beperkingen van betekenis bestaan.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd.
Uit de ter beschikking staande medische gegevens is de Raad niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot blijvende invaliditeit leidend psychisch letsel.
Ook overigens is de Raad uit hetgeen door eiser naar voren is gebracht niet gebleken van gegronde redenen om aan de juistheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende overwegingen te twijfelen. Als zodanige reden kan met name ook niet gelden de door eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat hij naar aanleiding van al hetgeen hij in de oorlog heeft meegemaakt recht heeft op een uitkering, nu de Wet niet voorziet in deze vorm van schadeloosstelling.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.