ECLI:NL:CRVB:2006:AV0443

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/1442 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • C.W.J. Schoor
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag WAZ-uitkering na drie jaar zonder winst

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, die op 3 november 2004 een eerder besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen had vernietigd. Appellant, die als zelfstandige jammaker werkzaam is, stelde dat hij door een burn-out slechts voor 50% arbeidsgeschikt was en daardoor geen winst kon maken. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijke motivering had, omdat gedaagde ten onrechte aannam dat het bedrijf van appellant al in 1998 bestond en niet inging op het beroep op de hardheidsclausule. Ondanks de vernietiging van het besluit, liet de rechtbank de rechtsgevolgen in stand omdat er geen andere materiële uitkomst mogelijk was, gezien appellant in geen enkel jaar winst had gemaakt.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven. De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen in stand had gelaten. De Raad overwoog dat, ongeacht het verlies aan verdiencapaciteit door arbeidsongeschiktheid, artikel 8 van de WAZ de toekenning van een uitkering in de weg staat. Appellant had in het jaar 2000, het boekjaar voorafgaand aan zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag, verlies geleden als zelfstandig jammaker en had geen andere inkomsten genoten die als winst konden worden aangemerkt. De Raad stelde vast dat zowel het jaar 1999 als 2000 op nihil moesten worden gesteld voor wat betreft winst en inkomen, waardoor er geen grondslag voor een uitkering was.

De Raad merkte op dat het noch gedaagde noch de rechter vrijstond om appellant buiten de wettelijke bepalingen om een uitkering toe te kennen. Uiteindelijk leidde dit alles tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagde en dat de aangevallen uitspraak in stand kon blijven. De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uitspraak

05/1442 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 3 november 2004 onder kenmerk AWB 04/1375 WAZ door de rechtbank ’s-Gravenhage gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 12 oktober 2005 heeft appellant nadere stukken toegezonden.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 1 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 23 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een eerder besluit van 14 augustus 2003, waarbij aan appellant is medegedeeld dat afwijzend is beslist op zijn aanvraag van 14 maart 2003 om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheids- verzekering zelfstandigen (WAZ). Gedaagde heeft daarbij overwogen dat appellant in de drie jaren die aan de eerste ziektedag van 22 oktober 2001 vooraf gingen geen winst heeft gemaakt. Daarom kan niet worden gezegd dat appellant na
22 oktober 2001 verlies aan verdiencapaciteit heeft geleden als gevolg van ziekte.
Appellant heeft in beroep tegen het bestreden besluit aangevoerd dat hij als gevolg van een burn-out al jaren slechts voor 50% arbeidsgeschikt is, zodat hij als kleine zelfstandige jammaker onmogelijk winst kan maken. Appellant heeft verder een beroep gedaan op kennelijke hardheid.
De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat zij van oordeel is dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering nu gedaagde er ten onrechte van is uitgegaan dat het bedrijf van appellant al in het jaar 1998 bestond en gedaagde voorts niet is ingegaan op het beroep van appellant op een hardheidsclausule. De rechtbank heeft echter, met een bepaling omtrent vergoeding van griffierecht, aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Zij heeft daartoe overwogen dat een besluit met een andere materiële uitkomst dan die van het vernietigde besluit niet mogelijk is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat appellant in geen enkel jaar na de start van zijn onderneming per 1 januari 1999 winst heeft gemaakt en dat toepassing van de hardheids-clausule van artikel 10 van het Inkomensbesluit WAZ appellant niet kan helpen nu hij nimmer winst heeft gemaakt.
In hoger beroep heeft appellant zijn eerder aangevoerde grieven herhaald. De Raad concludeert hieruit dat het geschil zich toespitst op de vraag of het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en daartoe overweegt hij als volgt.
Nog daargelaten de vraag of en zo ja in welke mate appellant verlies aan verdienvermogen heeft geleden als gevolg van arbeidsongeschiktheid staat artikel 8 van de WAZ in elk geval aan de toekenning van uitkering in de weg. Immers, vaststaat dat appellant in het jaar 2000, het boekjaar onmiddellijk voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschikt-heidsdag, verlies heeft geleden als zelfstandig jammaker. Niet is gebleken dat hij andere met winst gelijk te stellen inkomsten heeft genoten. Op grond van artikel 9 van het Inkomensbesluit WAZ worden de winst en het inkomen van appellant over het jaar 2000 op nihil gesteld. Hetzelfde geldt voor het boekjaar 1999, tevens het eerste jaar van de onderneming. Derhalve kan voor de uitkering geen grondslag als bedoeld in dat artikel 8 van de WAZ worden vastgesteld. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen kan artikel 10 van het Inkomensbesluit WAZ, waarin een hardheidsclausule is neergelegd, appellant niet baten nu appellant voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag nimmer winst heeft genoten.
Ter voorlichting van appellant merkt de Raad nog op dat het noch gedaagde noch de rechter vrij staat appellant buiten de wettelijke bepalingen om een uitkering toe te kennen op grond van de door appellant aangevoerde redenen.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover bestreden, in stand kan blijven.
De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.