ECLI:NL:CRVB:2006:AV0093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf november 1997
Appellant ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na melding van samenwoning met zijn huidige partner heeft de Sociale Verzekeringsbank de uitkering geschorst en een onderzoek ingesteld. Op basis van een verklaring van appellant aan sociaal rechercheurs en een samenlevingscontract concludeerde de bank dat sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf 1 november 1997, waarna de uitkering werd ingetrokken.
Appellant betwistte de ingangsdatum en stelde dat hij pas vanaf 17 juli 1998 samenwoonde. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Raad dat de verklaring van appellant aan de sociale rechercheurs rechtsgeldig is en dat de latere intrekking daarvan geen doorslaggevende betekenis heeft. Ook andere stukken, zoals het samenlevingscontract en getuigenverklaringen, ondersteunen de conclusie van gezamenlijke huishouding vanaf november 1997.
De Raad overweegt dat het criterium van wederzijdse zorg niet beperkt is tot financiële verstrengeling, maar ook andere vormen van zorg omvatten, zoals het verrichten van kluswerkzaamheden en het bieden van slaapgelegenheid. De Raad acht de intrekking van de uitkering terecht en ziet geen dringende redenen om daarvan af te wijken. De strafrechtelijke vrijspraak van appellant wegens valsheid in geschrifte doet hieraan geen afbreuk, omdat het bestuursrechtelijk oordeel op andere gronden is gebaseerd.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 november 1997 bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 november 1997 wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.