ECLI:NL:CRVB:2006:AV0080
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder hulpbehoevende
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek naar de rechtmatigheid van deze uitkering. Uit het onderzoek, dat onder meer getuigenverklaringen en verklaringen van appellante en betrokkene omvatte, bleek dat appellante sinds januari 1999 een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene zonder dat sprake is van hulpbehoevendheid.
De Raad hanteert vaste criteria voor het begrip gezamenlijke huishouding, waarbij het hoofdverblijf en de wederzijdse verzorging centraal staan. De verklaringen van appellante en betrokkene, ondersteund door getuigenverklaringen en objectieve gegevens zoals waterverbruik, overtuigen de Raad van het bestaan van een gezamenlijke huishouding. De Raad wijst erop dat het feit dat appellante en betrokkene meerdere adressen gebruikten niet uitsluit dat zij een gezamenlijk hoofdverblijf hadden.
De Raad overweegt dat de intrekking van de uitkering terecht is en dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden, omdat de uitkering mede gebaseerd was op onjuiste informatie. Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de uitkering met ingang van 1 februari 1999 bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering met ingang van 1 februari 1999 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder hulpbehoevende.