ECLI:NL:CRVB:2006:AU9935

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6323 AAW/WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid verzoek om herziening wegens termijnoverschrijding afgewezen

Opposant verzocht om herziening van een uitspraak van de Raad van 30 juli 2004. De Raad verklaarde het verzoek om herziening niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig was voldaan. Opposant maakte bezwaar tegen deze beslissing door middel van verzet.

De Raad herinnerde opposant meerdere malen aan de verplichting tot betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn. Dit griffierecht werd echter niet op de rekening van de Raad bijgeschreven. Volgens artikel 22 van Pro de Beroepswet en artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht leidt het niet tijdig voldoen van het griffierecht tot niet-ontvankelijkheid, tenzij niet kan worden geoordeeld dat er sprake is van verzuim.

Opposant bracht in het verzet geen nieuwe feiten of omstandigheden aan die het verzuim konden opheffen. Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond en handhaafde de eerdere beslissing. Er waren geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 18 januari 2006.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening wegens niet tijdige betaling van griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

04/6323 AAW/WAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposant heeft om herziening verzocht van de door de Raad op 30 juli 2004 onder nummer 03/2979 AAW/WAO gegeven uitspraak.
Bij uitspraak van 25 mei 2005 heeft de Raad het verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft voldaan en op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 7 december 2005, waar namens geopposeerde is verschenen G.M. Folkers, terwijl opposant - zoals tevoren is bericht - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
In artikel 22, zevende lid, in samenhang met artikel 22, eerste lid, van de Beroepswet (Bw) is bepaald dat van de indiener van een verzoekschrift een griffierecht wordt geheven. Opposant is op de verschuldigdheid daarvan gewezen bij brieven van
26 november 2004 en 17 december 2004. Bij laatstgenoemde aangetekend verzonden brief is opposant meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na dagtekening dient te zijn bijgeschreven op de bankrekening van de Raad dan wel ter griffie te zijn gestort en dat bij overschrijding van de genoemde termijn ermee rekening moet worden gehouden dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Bij brieven van 29 november 2004 en 21 december 2004 heeft opposant nog nadere mededelingen aan de Raad gedaan.
Bij brieven van 24 december 2004 en 29 december 2004 heeft de Raad opposant nogmaals erop gewezen dat zijn verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 30 juli 2004 pas inhoudelijk in behandeling zal worden genomen nadat het griffierecht binnen de daartoe, in het schrijven van 17 december 2004 gestelde termijn, is voldaan.
Het griffierecht is niet op de rekening van de Raad bijgeschreven.
Gelet op het bepaalde in artikel 22, zevende lid, in samenhang met artikel 22, vierde lid, van de Bw wordt, indien het griffierecht niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het verzoekschrift in verzuim is geweest.
Door opposant is in verzet niets aangevoerd dat aanleiding zou kunnen vormen om hierover thans in andere zin te oordelen.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van Pro de Bw in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond te worden verklaard. Gelet op artikel 8:55, zesde lid, van de Awb blijft de uitspraak van de Raad van 25 mei 2005 derhalve in stand.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.