ECLI:NL:CRVB:2006:AU9756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- G. van der Wiel
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens niet nakomen medewerkingsplicht
Appellante kreeg vanaf 29 juni 2000 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Zij werd opgeroepen voor een hernieuwde beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid op 23 mei 2001, maar verscheen niet. Na een nieuwe afspraak op 6 juni 2001 verscheen zij wederom niet, waarna de uitkering per 1 juli 2001 werd geschorst.
Appellante voerde aan dat zij door een slaapstoornis niet kon verschijnen en dat gedaagde hiervan op de hoogte was, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen. De rechtbank en de Raad oordeelden dat appellante haar verplichting tot medewerking niet is nagekomen en dat de schorsing terecht was. De Raad vond geen reden om de uitspraak van de rechtbank te wijzigen.
De Raad overwoog tevens dat het niet de taak van gedaagde was om medische hulp te bieden en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij door haar persoonlijke omstandigheden niet in staat was om te reageren op de oproepingen. De schorsing en de termijn van betaling van de nabetaling werden als rechtmatig beoordeeld.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering wegens het niet nakomen van de medewerkingsplicht wordt bevestigd.