ECLI:NL:CRVB:2006:AU9643

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6197 ABP
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • J.L.P.G. van Thiel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BwArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in bestuursrechtelijke pensioenzaak afgewezen

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft opposante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het appèlverbod op uitspraken van rechtbanken zoals bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is verzet ingesteld, maar tijdens de zitting verschenen partijen niet. De Raad heeft vastgesteld dat het verzet geen nieuwe gronden bevat die tot gegrondverklaring kunnen leiden.

De Raad bevestigt dat het appèlverbod van toepassing is en dat de eerdere uitspraak van 28 april 2005 in stand blijft. Ook is geen aanleiding gevonden om proceskosten toe te wijzen. De grief dat de rechtbank een essentiële norm zou hebben geschonden door geen zitting te houden, wordt verworpen omdat dit niet van toepassing is in bestuursrechtelijke zaken zoals deze.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep blijft in stand.

Uitspraak

04/6197 ABP
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet (Bw) in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], wonende te Haarlem, opposante,
en
het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP, als rechtsopvolger van het bestuur van het ABP, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van 28 april 2005 heeft de Raad het door mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, als gemachtigde van opposante ingestelde hoger beroep tegen een ten aanzien van opposante gegeven uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 september 2004, reg. nr. AWB 04/1019 ABP, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat tegen een uitspraak van een rechtbank als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Tegen die uitspraak is door de gemachtigde van opposante verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 november 2005, waar partijen - zoals tevoren schriftelijk was bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt vast dat in verzet geen gronden naar voren zijn gebracht die tot gegrondverklaring van het verzet dienen te leiden.
Hiertoe overweegt de Raad dat de grief die van de zijde van opposante in verzet (evenals in hoger beroep) is aangevoerd, namelijk dat de rechtbank een essentiële norm heeft geschonden door opposante - hoewel zij daarom niet had verzocht - alvorens uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb te doen, niet in de gelegenheid te stellen op een zitting te worden gehoord in zaken als deze geen doel treft.
Hetgeen door de gemachtigde van opposante is aangevoerd heeft betrekking op strafzaken en zaken waarin administratieve sancties in het geding waren. Een zodanige aangelegenheid is in de onderhavige zaak niet aan de orde.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van Pro de Bw in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond te worden verklaard. Gelet op artikel 8:55, zesde lid, van de Awb blijft de uitspraak van de Raad van 28 april 2005 derhalve in stand.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb, inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter, en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.