ECLI:NL:CRVB:2006:AU9489
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf en tewerkstellingsvergunning
Appellant, een Turkse staatsburger, verbleef sinds de jaren ’80 illegaal in Nederland en werkte met onderbrekingen, waaronder van maart tot november 1998. Na afwijzing van zijn verblijfsvergunningaanvraag in 2002, kreeg hij een verblijfsaantekening met de restrictie 'arbeid niet toegestaan'. Hij trad in dienst bij een uitzendbureau op 1 oktober 2002, maar viel in april 2003 wegens ziekte uit. Het UWV wees zijn verzoek om een Ziektewetuitkering af omdat hij geen werknemer was in de zin van de werknemersverzekeringen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat appellant op het moment van indiensttreding geen rechtmatig verblijf had en geen tewerkstellingsvergunning beschikte, waardoor hij niet als werknemer kon worden aangemerkt. Premieafdracht door de werkgever leidt niet automatisch tot verzekeringsplicht of recht op uitkering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en op artikel 4:84 Awb Pro faalt eveneens.
De Raad concludeert dat appellant terecht niet als verzekerde in de Ziektewet is aangemerkt en geen uitkering ontvangt. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een Ziektewetuitkering wegens ontbreken van rechtmatig verblijf en tewerkstellingsvergunning.