ECLI:NL:CRVB:2005:AU8355

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-179 ABP
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:75 AwbArtikel 17 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening van onherroepelijke bestuursrechtelijke uitspraak

Verzoeker heeft bij brief van 1 december 2004 verzocht om herziening van een uitspraak van de Raad van 22 maart 1984, waarin zijn verzet tegen een eerdere beslissing ongegrond werd verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van hoger beroep door termijnoverschrijding.

De Raad heeft het verzoek behandeld op 20 oktober 2005, waarbij verzoeker niet is verschenen. De Raad stelt vast dat de gronden voor herziening niet voldoen aan de eisen van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verzoeker stelde dat hij niet bekend was met de beroepstermijn en dat ook zijn advocaat de termijnoverschrijding niet had opgemerkt. Deze omstandigheden waren echter bij verzoeker bekend of redelijkerwijs bekend kunnen zijn geweest vóór de uitspraak.

Daarmee is niet voldaan aan de cumulatieve voorwaarden voor herziening, namelijk dat feiten of omstandigheden die tot herziening kunnen leiden, vóór de uitspraak niet bekend mochten zijn en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn. De Raad ziet daarom geen aanleiding om de eerdere uitspraak te herzien en wijst het verzoek af.

Proceskosten worden niet toegewezen. De uitspraak is gedaan door de voorzitter en twee leden van de Centrale Raad van Beroep op 1 december 2005.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de onherroepelijke uitspraak wordt afgewezen wegens niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 8:88 Awb.

Uitspraak

05/179 ABP
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 17 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
om herziening van de uitspraak (destijds genoemd: beschikking) van de Raad van
22 maart 1984, nr. A.B.P. 1980/51.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verzoeker heeft bij brief van 1 december 2004, onder inzending van een aantal stukken welke hij nadien nog enkele malen heeft aangevuld, om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad.
Namens het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP te Heerlen, als rechtsopvolger van de Raad van toezicht van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, hierna aangeduid als gedaagde, is een verweerschrift ingediend.
Daarna heeft verzoeker de gronden voor zijn verzoek nog nader aangegeven en stukken ingediend.
Het verzoek om herziening is behandeld ter zitting van de Raad op 20 oktober 2005. Verzoeker is daar, zoals door hem tevoren bericht, niet verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door P.J. Consten, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 17 van Pro de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
De Raad heeft bij zijn uitspraak van 22 maart 1984, nr. A.B.P. 1980/51, het verzet van verzoeker tegen de uitspraak (destijds genoemd: beschikking) van de toenmalige Voorzitter van de Raad van 17 november 1983 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemde uitspraak is het hoger beroep dat verzoeker had ingediend tegen een uitspraak van het toenmalige Ambtenarengerecht te ’s-Gravenhage van 3 februari 1978 niet-ontvankelijk verklaard wegens - niet te verontschuldigen - overschrijding van de voor het instellen van hoger beroep voorgeschreven termijn.
Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening van de uitspraak van 22 maart 1984 aangevoerd dat hij destijds niet bekend was met de beroepstermijn en dat ook zijn advocaat de termijnoverschrijding waarschijnlijk niet heeft opgemerkt.
Dit zijn echter gronden die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak bekend waren of redelijkerwijs bekend konden zijn, zodat niet voldaan is aan het gestelde in artikel 8:88, aanhef en onder b, van de Awb, zoals hierboven omschreven.
Hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd heeft geen betrekking op de uitspraak waarvan hij herziening heeft verzocht, maar op het onderliggende geschil waarin door het bovengenoemde Ambtenarengerecht uitspraak is gedaan en aan de beoordeling waarvan de Raad ten gevolge van de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep niet heeft kunnen toekomen.
Gelet op de eisen die artikel 8:88 van Pro de Awb stelt aan een verzoek om herziening, moet de Raad dan ook vaststellen dat het verzoek om herziening niet kan slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.
HD
14.11