ECLI:NL:CRVB:2005:AU8303

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/896 CSV, 04/897 CVS
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16a Coördinatiewet Sociale Verzekering
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdelijke aansprakelijkheid voor premies werknemersverzekeringen ondanks storting op G-rekening en verklaring goed betalingsgedrag

Appellante is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor premies werknemersverzekeringen die door twee verbonden ondernemingen verschuldigd waren over verschillende loontijdvakken in de jaren 1996 tot en met 1998. Deze aansprakelijkstelling volgde op besluiten van 28 december 2001 en werd bevestigd na bezwaar en beroep bij de rechtbank.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door stortingen op een G-rekening en een verklaring van goed betalingsgedrag aan haar verplichtingen had voldaan, dat eerst bestuurders van de betrokken ondernemingen aansprakelijk gesteld hadden moeten worden en dat zij in haar verdediging was geschaad doordat niet alle relevante stukken waren overgelegd. De Raad oordeelde dat deze grieven in wezen een herhaling van eerdere bezwaren waren en dat de rechtbank terecht de aansprakelijkheid had bevestigd.

De Raad benadrukte dat het UWV niet gebonden is aan het oordeel van de belastingdienst omtrent het afzien van aansprakelijkstelling, aangezien het UWV een eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid heeft. Gezien deze overwegingen werd de aangevallen uitspraak bevestigd en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellante voor de premies werknemersverzekeringen.

Uitspraak

04/896 CSV
04/897 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], gevestigd te Rotterdam, appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellante heeft [naam], bedrijfsleider bij appellante, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
15 december 2003 met kenmerk 02/2185 en 02/2186.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 september 2005, waar voor appellante verschenen is [naam2], directeur, en waar voor gedaagde zijn verschenen mr. M.M. Odijk en P.R.H. Min, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante is door gedaagde bij twee afzonderlijke besluiten van 28 december 2001 ingevolge artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering hoofdelijk aansprakelijk gesteld voo[naamNV]n deel van de door [naamNV] Timmerwerken N.V. ([naamNV]) verschuldigde premies werknemersverzekeringen over de loontijdvakken 1996 en 1997, respectievelijk voor een deel van de door [naamBV] B.V. ([naamBV]) verschuldigde premies werknemersverzekeringen over de loontijdvakken 1997 en 1998.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 12 juli 2002 heeft gedaagde de bezwaren tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen de besluiten op bezwaar ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Haar voornaamste grieven zijn dat appellante door storting op de G-rekening van [naamNV] aan haar verplichtingen heeft voldaan, dat er eind 1998 met betrekking tot [naamBV] nog een verklaring inzake goed betalingsgedrag is afgegeven, wat in de weg zou staan aan aansprakelijkstelling, dat gedaagde alvorens appellante aansprakelijk te stellen eerst de bestuurders van [naamNV] en [naamBV] aansprakelijk had moeten stellen en dat appellante in haar verdediging zou zijn geschaad, doordat gedaagde niet alle relevante stukken in het geding heeft gebracht.
De Raad heeft in deze beroepsgronden echter geen aanleiding gevonden om de uitspraak van de rechtbank voor onjuist te houden. Hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, is in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg al is aangevoerd. De Raad kan zich ten volle vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust.
De Raad voegt hieraan toe dat hij, met betrekking tot de grief van appellante dat gedaagde de belastingdienst in haar besluit af te zien van aansprakelijkstelling zou moeten volgen, met gedaagde en conform zijn vaste jurisprudentie van oordeel is dat gedaagde in het algemeen en ook in het onderhavige geval niet gebonden kan worden geacht aan een door de belastingdienst ingenomen standpunt, aangezien gedaagde ter zake van de aansprakelijkstelling een eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid heeft.
Gezien het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr.drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van
J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) J.P. Mulder.