ECLI:NL:CRVB:2005:AU7797

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1307 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 32 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 33 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag vergoeding auto wegens gebrek aan gebruiksmogelijkheid door ziekte

Eiser, erkend als burger-oorlogsslachtoffer op grond van psychische invaliditeit, vroeg een vergoeding voor de aanschaf van een auto. Verweerster, de Pensioen- en Uitkeringsraad, wees deze aanvraag af omdat eiser door ziekte vrijwel aan bed gekluisterd is en daardoor nauwelijks gebruik kan maken van een auto.

De Raad bevestigde deze feitelijke vaststelling, gebaseerd op een huisbezoek van de geneeskundig adviseur, en oordeelde dat toekenning van de voorziening het doel van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers zou voorbijschieten. De afwijzing werd daarom gehandhaafd.

Eiser verscheen niet bij de zitting, terwijl verweerster zich liet vertegenwoordigen. De Raad zag geen reden voor vergoeding van proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergoeding voor een auto gehandhaafd.

Uitspraak

05/1307 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 16 februari 2005, kenmerk JZ/F70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld op gronden als uiteengezet in het beroepschrift en zijn nader schrijven van 29 augustus 2005.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 september 2005. Aldaar is eiser niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1928 in het voormalige Nederlands-Indië, op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Als zodanig is hem, onder meer, de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet en een voorziening in de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten toegekend.
In maart 2004 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om, voorzover hier van belang, toekenning van een vergoeding van dan wel een tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van een auto.
Die aanvraag heeft verweerster bij het na bezwaar genomen bestreden besluit afgewezen op grond van de overweging dat de voorziening voor een auto niet proportioneel is nu eiser in zijn huidige situatie van de auto weinig frequent gebruik kan maken.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge de artikelen 32 en 33 van de Wet kunnen burger-oorlogsslachtoffers aanspraak maken op noodzakelijke medische voorzieningen dan wel voorzieningen ter verbetering van levensomstandigheden.
Naar uit de gedingstukken blijkt en door de gemachtigde van verweerster ter zitting nader is toegelicht, berust de afwijzing van de aanvraag van eiser om een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto in wezen op de, aan de over eiser vergaarde gegevens ontleende, feitelijke vaststelling dat eiser zich wegens ziekte niet meer buitenshuis kan begeven zodat een vervoersbehoefte niet of nauwelijks is aan te wijzen.
Die vaststelling is gebaseerd op door verweersters geneeskundig adviseur M. Hoornstra-Deurloo bij huisbezoek aan eiser aangetroffen omstandigheden van eiser, die erop neerkomen dat eiser in verband met zijn slechte gezondheid al enige tijd geheel aan zijn bed is gekluisterd en niet meer tot enige activiteit van betekenis in staat is.
In aanmerking genomen dat eiser die feitelijke vaststelling in beroep nog eens heeft bevestigd, kan de Raad de door verweerster gehanteerde afwijzingsgrond niet anders dan onderschrijven. Het gaat hier immers om een ten behoeve van eiser gevraagde persoonlijke voorziening. Nu vaststaat dat eiser daarvan niet of nauwelijks nog gebruik zou kunnen maken, zou toekenning van die voorziening het in de Wet beoogde doel voorbijschieten.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
18.1