ECLI:NL:CRVB:2005:AU6345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Opschorting, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet verschijnen en onjuiste woonplaats
Appellant ontving vanaf 21 april 1999 een bijstandsuitkering van de gemeente Utrecht. Na een heronderzoek verzocht de gemeente appellant te verschijnen voor een gesprek, waarop hij niet is verschenen. Hierdoor werd de uitkering opgeschort en later ingetrokken met terugvordering van de kosten over de opschortingsperiode.
Daarnaast stelde de sociale recherche vast dat appellant niet woonde op het opgegeven adres, maar feitelijk samenwoonde met een getuige op een ander adres in een andere gemeente. Dit leidde tot intrekking van de uitkering over de gehele periode en terugvordering van de ten onrechte ontvangen bijstand.
Appellant diende een nieuwe aanvraag in, die werd afgewezen omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat er relevante wijzigingen waren in zijn omstandigheden. De rechtbank wees alle beroepen af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraken. De Raad oordeelde dat appellant zijn verplichtingen niet was nagekomen en dat de gemeente terecht had gehandeld volgens de bepalingen van de Algemene bijstandswet.
Uitkomst: De Raad bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering en wijst de nieuwe aanvraag af.