ECLI:NL:CRVB:2005:AU5902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum recht op WW-uitkering bij fictieve opzegtermijn bevestigd
De zaak betreft het geschil over de ingangsdatum van het recht op WW-uitkering van appellant na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst per 1 juli 2001. Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV dat de WW-uitkering pas vanaf 29 oktober 2001 zou ingaan, omdat de periode van 1 juli tot en met 25 oktober 2001 als fictieve opzegtermijn geldt.
De rechtbank Arnhem had het beroep ongegrond verklaard en het standpunt van het UWV onderschreven. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat de fictieve opzegtermijn correct is vastgesteld op basis van de toepasselijke CAO-bepalingen, die een opzegtermijn van 22 weken voorschrijven. Vanwege de ontbinding op verzoek van de werkgever is één maand van deze termijn afgetrokken, waardoor de fictieve opzegtermijn loopt tot 26 oktober 2001.
Appellant voerde aan dat het UWV onjuist had gehandeld en verwees naar eerdere uitspraken en de interpretatie van de staatssecretaris, maar de Raad achtte deze argumenten niet nieuw of doorslaggevend. Ook werd vastgesteld dat het overgangsrecht Oudere Werknemers niet van toepassing was. De Raad bevestigt dat het recht op WW-uitkering derhalve pas vanaf 29 oktober 2001 ingaat en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op WW-uitkering gaat in na de fictieve opzegtermijn op 29 oktober 2001.