ECLI:NL:CRVB:2005:AU5646

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/536 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geschiktheid voor arbeid als heftruckchauffeur na medische klachten

Appellant was tot augustus 2001 heftruckchauffeur en ontving daarna een WW-uitkering. Op 1 januari 2002 meldde hij zich ziek met keelklachten, hoesten en benauwdheid. Een verzekeringsarts verklaarde hem op 27 maart 2002 hersteld. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard.

In hoger beroep stelde appellant dat het bezwaarproces onzorgvuldig was omdat de bezwaarverzekeringsarts verkeerde medische informatie gebruikte, geen nieuw medisch onderzoek deed en dat zijn slokdarmklachten al eerder aanwezig waren. De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts appellant op 28 mei 2002 heeft gehoord en aanvullende medische informatie van de huisarts ontving.

Op basis van deze gegevens concludeerde de bezwaarverzekeringsarts dat appellant alleen last had van chronische pharyngitis door roken en mogelijk hypochondrie, maar dat dit geen beperkingen voor het werk als heftruckchauffeur opleverde. De Raad vond het medisch onderzoek zorgvuldig en bevestigde dat appellant geschikt was voor zijn voormalige arbeid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant is geschikt voor zijn voormalige arbeid als heftruckchauffeur.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/536 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. drs. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 11 december 2003, onder reg. nr. AWB 02/4168 ZW, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 9 september 2005 is namens appellant nog een medische verklaring ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Charry, voornoemd en waar voor gedaagde is verschenen mr. M. Oltmans, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is tot augustus 2001 werkzaam geweest als heftruckchauffeur voor 36 uur per week. Sedertdien ontving hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit die situatie heeft hij zich op 1 januari 2002 ziek gemeld met keelklachten, hoesten en benauwdheid. Bij een tweede spreekuurbezoek op 26 maart 2002 heeft verzekeringsarts E. van der Hoek geconcludeerd dat er geen objectiveerbare klachten meer waren en appellant hersteld verklaard per 27 maart 2002, hetgeen appellant bij besluit van 26 maart 2002 is meegedeeld. Bij besluit van 30 juli 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 maart 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling ten onrechte is uitgegaan van de visie van de voormalige huisarts van appellant, nu de relatie met die arts was verstoord, dat de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting in bezwaar niet over de relevante medische informatie beschikte, nu die pas op 31 mei 2002 door de huisarts is toegezonden, dat appellant in bezwaar ten onrechte niet opnieuw medisch is onderzocht en dat de slokdarmklachten van appellant, waarvan de ware oorzaak in 2003 is vastgesteld, ook ten tijde in geding reeds aanwezig waren.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt vast dat appellant op 28 mei 2002 is gehoord door bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer en dat Cramer aansluitend bij brief van 28 mei 2002 informatie heeft gevraagd aan de voormalige huisarts van appellant. Bij brief van 31 mei 2002 heeft deze, onder meer, de in zijn bezit zijnde specialistenbrieven uit 2001 en begin 2002 toegezonden. In zijn rapport van 29 juli 2002, dat is gebaseerd op de bevindingen tijdens de hoorzitting en de van de huisarts ontvangen informatie, heeft Cramer vermeld dat bij appellant op diens verzoek uitgebreid specialistisch onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van een ernstige ziekte, maar dat niets is gevonden. Hij concludeert dat op de datum in geding bij appellant alleen sprake was van chronische pharyngitis door roken en schrapen. Voorts acht hij niet uitgesloten dat sprake is van hypochondrie, maar hierin ziet hij geen specifieke beperkingen voor het werken als heftruckchauffeur. Zijn eindconclusie is dat hij zich kan vinden in het oordeel van de primaire verzekeringsarts.
De Raad is van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek vooraf is gegaan. Dat appellant niet door de bezwaarverzekeringsarts is onderzocht, acht de Raad niet onzorgvuldig, nu appellant in bezwaar geen medische gegevens heeft overgelegd die daartoe aanleiding gaven. Voorts ziet de Raad niet in dat de bezwaarverzekeringsarts de van de voormalige huisarts afkomstige informatie, die - naast een brief waarin de huisarts de relatie met appellant beëindigt vanwege diens onheuse optreden - bestaat uit de door de specialisten, die appellant hebben onderzocht, aan de huisarts verstrekte informatie, niet zou mogen gebruiken bij zijn oordeelsvorming. Uit de zich onder die informatie bevindende brief van de KNO-arts wordt naast de keelklachten melding gemaakt van refluxklachten, die door behandeling al minder waren geworden. De door appellant ingezonden informatie van de hem sedert eind 2002 behandelende maag-, darm- en leverarts bezien in samenhang met de informatie van de KNO-arts geeft de Raad geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de slokdarmklachten in maart 2002 zodanige beperkingen voor arbeid opleverden dat appellant zijn arbeid als heftruckchauffeur niet kon verrichten.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat gedaagdes standpunt dat appellant op en na 27 maart 2002 geschikt was voor zijn voormalige arbeid als heftruckchauffeur voldoende is onderbouwd. Gelet daarop dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2005.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) J. Verrips.
BKH