ECLI:NL:CRVB:2005:AU5569
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum IOAW-uitkering betwist in hoger beroep
Appellant heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de ingangsdatum van zijn IOAW-uitkering. De gemeente had de uitkering toegekend met ingang van 1 juli 2002, later gewijzigd naar 1 juli 2001, de datum waarop appellant zich voor het eerst bij de gemeente meldde. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde of deze ingangsdatum correct was vastgesteld.
De Raad bevestigde dat volgens vaste rechtspraak geen uitkering wordt verleend over perioden voorafgaand aan de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hoewel appellant zich al in juli 2001 had gemeld, was de schriftelijke aanvraag pas op 18 september 2001 ingediend. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum dan 1 juli 2001 rechtvaardigen.
Verder wees de Raad het verweer af dat bij de eerdere bijstandsaanvraag in 1999 ook had moeten worden onderzocht of appellant recht had op een IOAW-uitkering. De aanvraag had uitsluitend betrekking op de Abw-uitkering en appellant had dit eerder moeten aanvoeren.
De Raad bevestigde daarmee het besluit van de gemeente en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De ingangsdatum van de IOAW-uitkering is terecht vastgesteld op 1 juli 2001 en het hoger beroep wordt afgewezen.