ECLI:NL:CRVB:2005:AU5533

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/7250 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:58 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding zwemabonnement niet in verband met vervolging is onterecht

Eiser, erkend als vervolgde onder de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, vroeg vergoeding van kosten voor een zwemabonnement vanwege rugklachten en slapeloosheid die hij in verband bracht met mishandeling tijdens de vervolging.

Verweerster wees de aanvraag af omdat zwemmen zonder professionele begeleiding niet meer als medisch noodzakelijk werd beschouwd volgens een nieuw standpunt van mei 2004. Dit standpunt werd ook toegepast op lopende aanvragen, waaronder die van eiser.

De Raad oordeelt dat verweerster weliswaar haar interpretatie van artikel 20 van Pro de Wet mag wijzigen, maar niet ten nadele van aanvragen die vóór die wijziging zijn ingediend. De aanvraag van eiser, ingediend in maart 2004, moet worden beoordeeld naar het toen geldende, gunstigere standpunt.

Daarnaast stelt de Raad vast dat er wel degelijk een verband is tussen de rugklachten van eiser en de vervolging, zoals eerder erkend. Daarom verklaart de Raad het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en beveelt verweerster een nieuw besluit te nemen en het betaalde griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van vergoeding zwemabonnement wordt vernietigd.

Uitspraak

04/7250 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats] (Israël), eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 oktober 2004, kenmerk JZ/B70/2004/0709, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. In het beroepschrift met bijlagen heeft eiser aangegeven waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen. Bij schrijven van 18 augustus 2005, bij de Raad ingekomen op 14 september 2005 heeft eiser zijn standpunt nader toegelicht en nadere stukken in het geding gebracht.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 september 2005. Aldaar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
De Raad stelt vast dat eisers schrijven van 18 augustus 2005 is ingekomen op 14 september 2005 en dat dit schrijven derhalve niet is ingekomen met inachtneming van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven termijn van uiterlijk tien dagen voor de zitting. Nu verweerster daardoor niet in de gelegenheid was op dit schrijven inhoudelijk te reageren, zal de Raad ter bescherming van een goede procesorde dit schrijven buiten zijn beoordeling laten.
Uit de gedingstukken blijken de volgende feiten en omstandigheden. Eiser, geboren [in] 1927 in het voormalige Nederlands Indië, heeft in juli 1975 bij verweersters rechtsvoorganger de Uitkeringsraad een aanvraag ingediend die er toe strekt dat hem als vervolgde onder meer een periodieke uitkering wordt toegekend. In dat verband heeft eiser gesteld te lijden aan psychische klachten en rugklachten die hij in verband brengt met een door hem ondergane mishandeling door de Japanse bezetter. Bij besluit van 16 juni 1977 is eiser erkend als vervolgde in de zin van de Wet. De door hem ingediende aanvraag is overigens afgewezen op de grond dat de oorzaak van zijn ziekten en gebreken niet geacht kan worden in de vervolging te zijn gelegen. Na bezwaar is door de Uitkeringsraad, blijkens het tot de stukken behorende excerpt van zijn besluit, alsnog aanvaard dat de ziekten en gebreken van eiser met de vervolging in verband staan, maar is de afwijzing gehandhaafd bij besluit van 9 april 1981 op de grond dat deze ziekten of gebreken hem niet buiten staat stellen zijn grondslaginkomen te verdienen.
Bij schrijven van 6 maart 2004 heeft eiser verweerster verzocht hem onder meer de kosten van een zwemabonnement te vergoeden in verband met de bij hem aanwezige rugklachten en slapeloosheid in toenemende mate. Bij besluit van 6 augustus 2004 heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat de aanvraag van een zwemabonnement niet in verband staat met de uit de vervolging voortvloeiende ziekten of gebreken. Een door eiser tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft geleid tot het thans bestreden besluit, waarbij verweerster de afwijzing heeft gehandhaafd op de grond dat een voorziening voor een zwemabonnement in het kader van de Wet niet meer kan worden toegekend, aangezien geen sprake is van extra kosten in de zin van de Wet. Hierbij is uitvoering gegeven aan een door verweerster op 26 mei 2004 genomen besluit om zwemmen zonder dat sprake is van een professionele begeleiding niet langer als medisch noodzakelijk in de zin van artikel 20 van Pro de Wet aan te merken, alsmede aan verweersters in een interne memo van 6 augustus 2004 neergelegde besluit om dit nadere standpunt in die gevallen waarin nog geen eerdere vergoeding werd gegeven, ook reeds van toepassing te verklaren op lopende aanvragen.
Gelet op hetgeen eiser in beroep naar voren heeft gebracht dient de Raad de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Naar uit het vorenstaande blijkt, heeft verweerster bij het bestreden besluit de aanvraag van eiser afgewezen op grond van het door haar op 26 mei 2004 ingenomen standpunt om voor zwemmen en fitness zonder begeleiding geen medische noodzaak meer aanwezig te achten. Verweerster is hiertoe gekomen op grond van de overtuiging dat zwemmen als algemene sportieve activiteit een vorm van sport is waarbij verbetering van de conditie, spierkracht en lenigheid te verwachten valt hetgeen in beginsel op eenieder van toepassing is zonder dat sprake is van een medisch voorschrift. In verband daarmee acht verweerster een medische noodzaak als bedoeld in artikel 20 van Pro de Wet alleen nog aanwezig wanneer sprake is van zwemmen onder professionele begeleiding.
De Raad acht verweerster in beginsel gerechtigd te komen tot een evaluatie en een wijziging van haar interpretatie van artikel 20 van Pro de Wet en in dat verband te komen tot een nadere omschrijving van hetgeen dient te worden beschouwd als extra op de voet van artikel 20 voor Pro vergoeding in aanmerking te nemen kosten. De Raad acht verweerster evenwel niet gerechtigd ingeval ten gevolge van een dergelijke evaluatie bepaalde voorzieningen op grond van de Wet niet langer voor vergoeding in aanmerking zullen komen, aan die gewijzigde interpretatie toepassing te geven ook op aanvragen die zijn ingediend vóór de totstandkoming van deze standpuntwijziging. Het ligt, naar het oordeel van de Raad, in de rede om dergelijke aanvragen te toetsen aan de ten tijde van de indiening van de aanvraag nog van kracht zijnde, voor de aanvrager gunstigere wetsinterpretatie. Nu de aanvraag van eiser is ingekomen op 8 maart 2004 acht de Raad verweerster niet gerechtigd te komen tot een afwijzing op grond van eerst op 26 mei 2004 vastgestelde nadere zienswijze betreffende de toepassing van artikel 20 van Pro de Wet. Het bestreden besluit berust in die zin op een ondeugdelijke motivering en komt voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht het geraden om ten behoeve van de nader door verweerster tot stand te brengen besluitvorming te wijzen op een zijns inziens in verweersters besluit van 6 augustus 2004 voorkomende feitelijke onjuistheid, te weten daar waar wordt gewezen op het ontbreken van een causaal verband tussen de vervolging en eisers rugklachten. Op grond van de gedingstukken, waaronder met name een aan de Uitkeringsraad uitgebracht medisch advies van 17 oktober 1980 en de daaraan ten grondslag liggende medische gegevens, kan de Raad niet anders vaststellen dan dat niet alleen ten aanzien van eisers psychische klachten maar ook ten aanzien van zijn rugklachten een verband met de vervolging door verweersters rechtsvoorganger is aanvaard.
Het voorgaande betekent dat het beroep van eiser gegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt de bestreden beslissing;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat verweerster aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.