ECLI:NL:CRVB:2005:AU5227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bij fibromyalgie
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WAO-uitkering, omdat zij van mening was dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld. Zij was uitgevallen met RSI-achtige klachten, maar later werd de diagnose fibromyalgie gesteld. De verzekeringsarts hield echter vast aan de RSI-diagnose, wat volgens appellante leidde tot een onderschatting van haar beperkingen.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de diagnose fibromyalgie vooral een klachtenomschrijving is zonder objectief medisch substraat. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor een andere beoordeling van het belastbaarheidspatroon. De subjectieve klachten van appellante waren al meegenomen in de beoordeling.
De Raad vond geen objectieve medische gronden om het oordeel van de verzekeringsarts te verwerpen. Het onderzoek was voldoende gericht op objectivering van de klachten. Gezien het beschikbare rapport was aannemelijk dat appellante op de datum van het besluit in staat was tot de werkzaamheden die passen bij de resterende functies. Daarom werd het bestreden besluit bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.