ECLI:NL:CRVB:2005:AU5066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek bruikleenauto als vervoersvoorziening op grond van de Wvg
Appellante, rolstoelgebonden door een aangeboren spierziekte, verzocht om een bruikleenauto als vervoersvoorziening op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Dit verzoek werd door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen afgewezen, omdat zij gebruik kan maken van het collectief vervoer in combinatie met een aangepaste rolstoel.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat de combinatie van aangepaste rolstoel en collectief vervoer een adequate voorziening vormt waarmee appellante in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het leven van alledag binnen haar regio. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door haar sociale en maatschappelijke activiteiten buiten de regio een bruikleenauto nodig heeft om sociaal isolement te voorkomen.
De Raad oordeelde dat er geen medische beperkingen zijn die het gebruik van het collectief vervoer onmogelijk maken en dat het wegvallen van de bruikleenauto weliswaar tot enige bestaansverschraling kan leiden, maar dit niet het criterium is voor toekenning van voorzieningen op grond van de Wvg. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een bruikleenauto als vervoersvoorziening wordt afgewezen omdat de toegekende rolstoel en het collectief vervoer voldoende zijn.