ECLI:NL:CRVB:2005:AU4689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van wekeneis voor WW-uitkering bij geschil over arbeidsgeschiktheid en hersteldmelding
Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd per 1 februari 2002, maar deze werd geweigerd omdat hij niet rechtsgeldig was ontslagen en niet aan de wekeneis voldeed. De rechtbank stelde vast dat appellant zich niet volgens de regels hersteld had gemeld en dat hij niet eerder dan juni 2002 gedeeltelijk en juli 2002 volledig arbeidsgeschikt was verklaard door de bedrijfsarts. Appellant betwistte dit in hoger beroep en voerde aan dat hij door het niet uitbetalen van loon de indruk had dat zijn dienstverband was beëindigd en dat zijn sollicitaties in februari en maart 2002 bewijs waren van arbeidsgeschiktheid.
De Raad overwoog dat volgens de WW recht op uitkering ontstaat indien in de 39 weken voorafgaand aan de werkloosheid in ten minste 26 weken arbeid is verricht, waarbij ziekteweken niet meetellen. Appellant had slechts 22 weken gewerkt en had geen overtuigend bewijs geleverd van eerdere arbeidsgeschiktheid. De Raad vond het niet aannemelijk dat appellant zich eerder had hersteld gemeld, mede omdat hij geen medische stukken overlegde en de gesprekken met de bedrijfsarts de aangewezen momenten waren om dit te melden.
De Raad verwierp het verweer dat appellant door het niet uitbetalen van loon dacht dat het dienstverband was geëindigd, omdat er geen rechtsgeldige tussentijdse opzegging was. Ook het feit dat appellant solliciteerde tijdens ziekte was onvoldoende om arbeidsgeschiktheid aan te nemen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Appellant voldoet niet aan de wekeneis en heeft geen recht op een nieuwe WW-uitkering.