ECLI:NL:CRVB:2005:AU4333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij WW-uitkering
Appellant stelde bezwaar in tegen het besluit van 6 februari 2002 waarbij zijn aanvraag voor een WW-uitkering werd afgewezen. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, omdat appellant voldoende kennis had van de bezwaarprocedure en hulp had kunnen zoeken bij taalproblemen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij in meerdere procedures rechtskundige bijstand had gehad en dat hem niet duidelijk was dat hij binnen zes weken bezwaar moest maken. Ook stelde hij dat de professionele gemachtigde in een andere procedure mogelijk niet op de hoogte was van het besluit van 6 februari 2002. De Raad overwoog echter dat het ontbreken van een bezwaarclausule in de brief niet automatisch leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant in verzuim was geweest en dat er geen reden was om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. Het bezwaar blijft daarom niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 14 september 2005 door mr. T. Hoogenboom.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de WW-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.