ECLI:NL:CRVB:2005:AU4293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking
Appellante had een WW-uitkering ontvangen na haar ontslag bij een circus, maar na een premiefraudeonderzoek stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) vast dat zij geen werknemer in de zin van de WW was en dat er geen werkloosheid was ontstaan. Daarom werd de uitkering met terugwerkende kracht ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank oordeelde dat niet vast te stellen was dat appellante daadwerkelijk arbeid had verricht onder gezag, noch dat er sprake was van een dienstbetrekking. Ook was de hoogte van de beloning onduidelijk door tegenstrijdige verklaringen. Er was geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er wel een dienstbetrekking was en dat het ontbreken van administratie niet tegen haar mocht worden gebruikt. De Raad stelde echter vast dat appellante onjuiste gegevens had verstrekt en onvoldoende bewijs had geleverd van verzekeringsplichtige arbeid. Getuigenverklaringen boden geen overtuigend bewijs.
De Raad bevestigde de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en vond geen dringende redenen om hiervan af te wijken. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering worden bevestigd wegens het ontbreken van een dienstbetrekking en onvoldoende bewijs van verzekeringsplichtige arbeid.