ECLI:NL:CRVB:2005:AU3072
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor therapiekosten met terugwerkende kracht
Appellante, een WAO-uitkeringsgerechtigde die therapie volgt voor burn-out klachten, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van deze therapie met terugwerkende kracht vanaf mei 2001. De gemeente wees de aanvraag af, waarna bezwaar werd gemaakt en gedeeltelijk toegewezen met ingang van november 2001. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij al eerder contact had gehad met de gemeente en andere instanties om vergoeding te verkrijgen, en dat zij daarom recht had op terugwerkende kracht vanaf mei 2001. De Raad overwoog dat bijstand op aanvraag wordt verleend en dat terugwerkende kracht slechts bij bijzondere omstandigheden mogelijk is. Er is echter geen bewijs dat appellante eerder dan november 2001 een aanvraag heeft ingediend of dat zij gegronde redenen had voor latere indiening.
De Raad concludeerde dat appellante niet aantoonde dat zij door psychische of andere redenen niet tijdig een aanvraag kon indienen, mede omdat haar vader haar kon bijstaan. Ook het feit dat zij niet eerder op de hoogte was van de mogelijkheid tot bijzondere bijstand vormt geen bijzondere omstandigheid. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht bevestigd.