ECLI:NL:CRVB:2005:AU3014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Anw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1 augustus 1992 een pensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, omgezet in een Anw-uitkering vanaf 1 juli 1996. Gedaagde ontdekte dat appellant sinds 31 augustus 1998 samenwoonde met een partner op hetzelfde adres. Na een onderzoek en het invullen van een checklist op 16 juli 2001, werd de uitkering met ingang van 1 september 1998 ingetrokken.
Appellant voerde aan dat er voorafgaand aan juli 2001 geen sprake was van een gezamenlijke huishouding, omdat zijn partner toen weinig bijdroeg door persoonlijke omstandigheden. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf juli 2001 bestond en stelde vast dat ook de periode vanaf augustus 1998 tot juli 2001 als gezamenlijke huishouding moet worden beschouwd.
Verder werd appellant verweten zijn informatieplicht te hebben geschonden door de intrek van zijn partner medio augustus 1998 niet te melden, waardoor gedaagde niet eerder kon onderzoeken. Van dringende redenen om af te zien van intrekking was geen sprake. De Raad bevestigde daarom het besluit tot intrekking van de Anw-uitkering met ingang van 1 september 1998 en wees het beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de Anw-uitkering met ingang van 1 september 1998 wordt bevestigd.