ECLI:NL:CRVB:2005:AU2787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.W. Schuttel
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering verhoging WAO-uitkering wegens andere ziekteoorzaak
Appellant verzocht om verhoging van zijn WAO-uitkering van 25-35% naar een hoger percentage wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid. De uitkering was oorspronkelijk toegekend in 1988 vanwege linkerelleboogklachten na een fractuur. Uit onderzoek bleek dat de toename van beperkingen voortkomt uit poly-arthriculaire jicht veroorzaakt door nierfunctiestoornissen, een andere ziekte dan de oorspronkelijke elleboogklachten.
De Raad oordeelde dat de jicht een kennelijk andere ziekteoorzaak is in de zin van artikel 37, tweede lid, van de WAO, omdat er geen aanwijzingen waren dat deze aandoening al bestond bij de oorspronkelijke toekenning. Appellant betwistte dit, stellende dat jichtklachten al in 1988 aanwezig waren, maar medische gegevens en verklaringen van artsen toonden aan dat de jicht pas vanaf 1993 speelde.
De Raad concludeerde dat de weigering tot verhoging van de uitkering terecht was, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als de oorspronkelijke. De uitspraak van de rechtbank Maastricht werd bevestigd, en de Raad zag geen reden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De weigering tot verhoging van de WAO-uitkering wegens een andere ziekteoorzaak wordt bevestigd.