ECLI:NL:CRVB:2005:AU2779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit studiefinanciering 1997 wegens onjuiste wettelijke grondslag
Appellant kreeg een vordering wegens meerinkomen en een OV-boete opgelegd over het studiefinancieringstijdvak 1997. Na bezwaar en beroep verklaarden de rechtbank en de Raad het bezwaar ongegrond. Appellant stelde dat hij geen of nagenoeg geen inkomen had in 1997 en dat de aanslag nog niet definitief was. De Raad stelde vast dat de belastingdienst het bezwaar tegen de aanslag had afgewezen en dat het inkomen definitief was vastgesteld op €113.445.
De Raad oordeelde dat de rechtbank Assen bevoegd was, ondanks dat de rechtbank Groningen eigenlijk bevoegd was, en verklaarde dit achteraf gegrond. Vervolgens stelde de Raad vast dat het bestreden besluit was gebaseerd op artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000, terwijl voor 1997 artikel 26 van Pro de Wet op de studiefinanciering van toepassing was. Hierdoor was de wettelijke grondslag onjuist.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven omdat de vordering en boete materieel terecht waren opgelegd. Tevens werd appellant het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, het beroep wordt gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.