ECLI:NL:CRVB:2005:AU2512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WAZ-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid en onzorgvuldige besluitvorming
Belanghebbende, die sinds 1986 wegens rug- en beenklachten haar werkzaamheden als meewerkend echtgenote moest staken, ontving aanvankelijk een AAW-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Deze uitkering werd in 1995 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens herbeoordeling minder dan 25% bedroeg. In 1998 meldde zij zich opnieuw arbeidsongeschikt vanwege toegenomen klachten. Het Uwv handhaafde in 2001 het besluit dat zij geen recht had op een WAZ-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 25% was.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de arbeidskundige grondslag onjuist was vastgesteld en dat het Uwv had moeten onderzoeken of een kortere wachttijd van vier weken in plaats van 52 weken van toepassing was. Het hoger beroep van het Uwv richtte zich tegen deze oordelen, terwijl belanghebbende het maatmanloon betwistte.
De Raad overweegt dat het Uwv onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld door niet te onderzoeken of belanghebbende aanspraak kon maken op een uitkering op grond van artikel 20 van Pro de Waz, die een kortere wachttijd mogelijk maakt. Dit was mede veroorzaakt doordat medische gegevens uit het verleden niet beschikbaar waren. Hierdoor is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en dient het te worden vernietigd. De Raad bevestigt de vernietiging van het besluit, zij het op andere gronden, en veroordeelt het Uwv tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en het Uwv moet een nieuw besluit nemen; belanghebbende heeft geen recht op WAZ-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid.