ECLI:NL:CRVB:2005:AU2352
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na instemming met ontslag
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om zijn WW-uitkering blijvend geheel te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid. Hij werd verweten dat hij instemde met zijn ontslag terwijl van hem protest had mogen worden verlangd, waardoor hij mogelijk zijn dienstverband had kunnen voortzetten.
De Raad overweegt dat appellant het voorschrift van artikel 24 van Pro de WW heeft overtreden door de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen, waarmee hij zijn rechten op uitkeringen verspeelde. Hoewel appellant zich beroept op voorlichting van de werkgever en het gelijkheidsbeginsel, oordeelt de Raad dat deze voorlichting niet van het bevoegde bestuursorgaan kwam en dat appellant had kunnen informeren bij het Uitvoeringsinstituut.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst het beroep af. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, waarmee de weigering van de WW-uitkering gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door instemming met ontslag.