ECLI:NL:CRVB:2005:AU2294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht privaatrechtelijke dienstbetrekking bestuurder/aandeelhouder
Appellante stelde in hoger beroep dat betrokkenen niet onder gezagsuitoefening stonden en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd. De Raad overwoog dat betrokkenen verplicht waren persoonlijk arbeid te verrichten en daarvoor loon ontvingen, hetgeen niet in geschil was.
De kernvraag betrof het bestaan van een gezagsverhouding. De Raad volgde de rechtbank in de overweging dat het stemrecht in de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) bepalend is voor het gezag. Tot 17 maart 2003 kon [eigenaar holding] zijn stemrecht uitoefenen, waardoor betrokkenen geconfronteerd konden worden met schorsing of ontslag.
De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die het gezag uitsluiten. De feitelijke situatie en niet de bedoeling van partijen is bepalend voor verzekeringsplicht. Het sluiten van de koop- en verkoopovereenkomst van aandelen per 11 maart 2002 was geen onomkeerbaar feit. De Raad verwierp het motiveringsverweer en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkenen tot 17 maart 2003 in een verzekeringsplichtige privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden.