ECLI:NL:CRVB:2005:AU1949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en niet voldoen aan referte-eis
Appellante was sinds 4 april 2000 werkzaam als productiemedewerker en is op 21 mei 2002 op staande voet ontslagen wegens herhaald ongeoorloofd verzuim. Zij diende een aanvraag in voor een WW-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante niet voldeed aan de referte-eis: in de 39 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag had zij slechts 15 weken gewerkt. Tevens was zij van 19 mei 2002 tot 6 november 2002 gedetineerd.
In hoger beroep stelde appellante dat de detentie onterecht was wegens persoonsverwisseling en dat zij daardoor niet verwijtbaar werkloos was geworden. Ook voerde zij aan dat de ingangsdatum van de uitkering op 21 mei 2002 moest worden gesteld, zodat zij wel aan de referte-eis voldeed. De Raad oordeelde dat de detentie, ongeacht de reden, niet leidt tot recht op uitkering en dat de eerste werkloosheidsdag terecht op 6 november 2002 was gesteld, omdat appellante in de periode daarvoor haar vrijheid was ontnomen.
De Raad bevestigde dat appellante niet voldeed aan de referte-eis en dat de weigering van de WW-uitkering op deze primaire grond terecht was. De subsidiaire grond van verwijtbare werkloosheid behoefde daardoor geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellante niet voldoet aan de referte-eis en verwijtbaar werkloos is geworden.