ECLI:NL:CRVB:2005:AU1549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde vaststelling mate arbeidsongeschiktheid op grond van WAO
Appellant, voormalig kelner, kreeg sinds 1980 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na een hartinfarct. De mate van arbeidsongeschiktheid werd meerdere malen herzien, laatstelijk vastgesteld op 35 tot 45% per 1 april 1995. In 2000 verzocht appellant om herkeuring vanwege verslechterde klachten, waaronder artrose aan de rechtervoet.
Gedaagde (UWV) weigerde een hogere uitkering toe te kennen en stelde de arbeidsongeschiktheid per 1 oktober 2001 ongewijzigd vast. De Raad beoordeelde dat de artrose als een andere ziekteoorzaak werd beschouwd, maar dat de beperkingen door deze aandoening reeds voldoende waren meegenomen in het belastbaarheidspatroon. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij de voorgestelde functies niet kon vervullen.
De Raad concludeerde dat gedaagde de beperkingen zorgvuldig had vastgesteld, dat de artrose geen extra beperkingen opleverde, en dat appellant in staat was de voorgestelde functies te vervullen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant wordt ongewijzigd vastgesteld op 35 tot 45%.