ECLI:NL:CRVB:2005:AU1546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid intrekking AAW-uitkering na vervallen regeling per 1 januari 1998
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank die de intrekking van een AAW-uitkering onterecht achtte. De rechtbank vernietigde het besluit omdat niet was gebleken dat de betrokkene vooraf was geïnformeerd over passende functies, waardoor de intrekking niet op geschiktheid kon worden gebaseerd.
Het Uwv stelde in hoger beroep dat de intrekking niet gebaseerd was op geschiktheid voor functies, maar op het vervallen van de AAW-regeling per 1 januari 1998. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de intrekking rechtmatig was omdat de betrokkene niet viel onder het overgangsrecht van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsregelingen (WAZ of Wajong).
De Raad overwoog dat de betrokkene een AAW-uitkering ontving vanwege werkzaamheden in WSW-verband en niet als verzekerde in de zin van de AAW die onder het overgangsrecht valt. Daarmee kon de intrekking van de AAW-uitkering per 1 januari 1998 worden gehandhaafd. De eerdere motivering van de rechtbank kon niet standhouden. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het Uwv ongegrond.
Uitkomst: De intrekking van de AAW-uitkering per 1 januari 1998 is terecht en wordt gehandhaafd.