ECLI:NL:CRVB:2005:AU1544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling korting op AAW-uitkering wegens inkomsten uit woningstofferingsbedrijf
Appellant maakte bezwaar tegen de korting op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering (AAW) over de jaren 1997 en 1998, omdat deze korting was gebaseerd op de fiscale winstverdeling van zijn woningstofferingsbedrijf, die hij betwistte. De Raad oordeelde dat de korting over 1997 terecht was toegepast volgens artikel 33 van Pro de AAW en dat voor 1998 artikel 58 van Pro de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) van toepassing was.
De Raad stelde vast dat de winstverdeling tussen appellant en zijn echtgenote fiscaal was vastgesteld en dat deze verdeling leidend is voor de vaststelling van inkomsten uit arbeid, ook al was de wijziging louter fiscaal ingegeven. De Raad vond onvoldoende bewijs dat de feitelijke bedrijfsvoering was gewijzigd en volgde de fiscale verdeling.
Appellant voerde aan dat de Raad in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel had gehandeld, omdat hij pas laat op de hoogte was gesteld van de nadelige gevolgen van de winstverdeling. De Raad verwierp dit en benadrukte dat de korting per jaar wordt vastgesteld op basis van de geldende uitgangspunten en dat het tijdsverloop geen reden is om af te wijken van de dwingendrechtelijke bepalingen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Maastricht en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De korting op de AAW-uitkering is terecht toegepast op basis van de fiscale winstverdeling over 1997 en 1998.