ECLI:NL:CRVB:2005:AU1026
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit onveranderde WAO-uitkering wegens ontbreken feitelijke grondslag
Appellant voerde bezwaar aan tegen het besluit van 10 augustus 2000 waarbij zijn WAO-uitkering per 1 maart 2000 onveranderd werd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard bij besluit van 26 juni 2002. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het besluit geen deugdelijke feitelijke grondslag had, omdat de toerekening van loon op naam van zijn ex-echtgenote ten onrechte werd meegenomen terwijl deze betalingen in 1998 waren gestaakt en zij was overleden.
De Raad overwoog dat de feitelijke inkomsten van appellant per 1 maart 2000 niet bekend waren omdat geen onderzoek was gedaan. Het bestreden besluit ontbeerde daarom een deugdelijke feitelijke grondslag. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit en bepaalde dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant, vastgesteld op € 966,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 116,-. De uitspraak werd gedaan op 5 augustus 2005 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het besluit tot onveranderde WAO-uitkering wordt vernietigd wegens ontbreken deugdelijke feitelijke grondslag en het Uwv moet een nieuwe beslissing nemen.