ECLI:NL:CRVB:2005:AU0931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid prematuur bezwaarschrift bij beëindiging WAO-uitkering
Appellant ontving sinds januari 1999 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. In januari 2002 werd hij geïnformeerd over een functie-ongeschiktheidsadvies waarin werd gesteld dat hij niet ongeschikt was voor zijn functie als leerkracht. Naar aanleiding hiervan diende appellant op 12 februari 2002 een bezwaarschrift in. Echter, het primaire besluit tot beëindiging van de uitkering werd pas op 29 april 2002 genomen, waarop appellant op 19 juni 2002 bezwaar maakte.
De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift van 12 februari 2002 prematuur en het bezwaar tegen het besluit van 29 april 2002 niet-ontvankelijk, omdat het primaire besluit ten tijde van het eerste bezwaarschrift nog niet bestond en appellant ook niet redelijkerwijs kon aannemen dat dit wel het geval was. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat de mondelinge mededeling van de arbeidsdeskundige niet gelijkstaat aan een besluit.
De Raad benadrukte dat de bezwaartermijn van openbare orde is en ambtshalve door de rechter moet worden getoetst. De stelling van appellant dat het advies reeds het besluit was, werd verworpen. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en verwierp het hoger beroep.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de WAO-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediend bezwaarschrift.