ECLI:NL:CRVB:2005:AU0928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd
De zaak betreft een geschil over de weigering van een WAO-uitkering aan gedaagde per einde wachttijd op 12 november 1998. Gedaagde was werkzaam als sloper maar viel uit wegens armklachten die al bestonden bij aanvang van de verzekering. Het UWV weigerde de uitkering omdat gedaagde bij aanvang al gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en er geen toename van minstens 15% was.
De rechtbank had het bezwaar van gedaagde gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarna het UWV een nieuw besluit nam waarin primair de weigering werd gehandhaafd en subsidiair een uitkering werd toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. De rechtbank vernietigde dit besluit opnieuw en gaf opdracht tot een nieuw besluit.
In hoger beroep stelt de Centrale Raad vast dat gedaagde al sinds 1979 armklachten had en dat deze klachten niet het gevolg waren van het werk als sloper. De Raad oordeelt dat de maatman in dit geval de langdurig werkloze is met een loon op wettelijk minimumloon, gezien de langdurige werkloosheid van gedaagde. De Raad bevestigt dat er geen sprake was van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd en dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd.
De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van gedaagde en bevestigt het vernietigde besluit, behoudens de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar. De zaak benadrukt het belang van correcte maatmanbepaling en het onderscheid tussen bestaande klachten en nieuwe arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd.