ECLI:NL:CRVB:2005:AU0512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens eigen toedoen door te laat komen op werk
Appellante was werkzaam als ontbijt- en algemeen medewerkster bij een werkgever en had een dienstverband voor bepaalde tijd dat liep van 24 december 2002 tot en met 23 juni 2003. Dit dienstverband werd niet verlengd omdat appellante regelmatig te laat op het werk verscheen, wat ertoe leidde dat hotelgasten geen ontbijt kregen geserveerd.
De werkgever meldde dit aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), dat daarop besloot om de WW-uitkering van appellante blijvend geheel te weigeren wegens het niet behouden van passende arbeid door eigen toedoen. De rechtbank bevestigde dit besluit en stelde vast dat het te laat komen aan appellante kon worden toegerekend, ook al voerde zij aan dat het te laat komen het gevolg was van ziekte en dat zij zich niet kon ziekmelden.
In hoger beroep voerde appellante opnieuw aan dat zij de verplichtingen uit de WW niet had overtreden omdat haar te laat komen niet aan haar kon worden toegerekend. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat appellante deze stellingen onvoldoende aannemelijk had gemaakt, mede omdat zij geen medische onderbouwing had geleverd en de bewering dat de werkgever haar niet wilde accepteren wegens ziekte niet voldoende was bewezen.
De Raad bevestigde daarom het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering met ingang van 1 juli 2003 en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens eigen toedoen van appellante.