ECLI:NL:CRVB:2005:AU0511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos na ontslag op staande voet
Appellant was sinds mei 1999 werkzaam als chauffeur en werd op 4 november 2002 op staande voet ontslagen wegens herhaaldelijk te laat komen, ondanks waarschuwingen. De werkgever handhaafde het ontslag niet, maar de kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 16 december 2002 wegens een verstoorde arbeidsrelatie zonder vergoeding toe te kennen.
Gedaagde weigerde de WW-uitkering met ingang van 16 december 2002 blijvend geheel omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, gebaseerd op artikel 24 en Pro 27 van de WW. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hoor en wederhoor niet direct plaatsvond en dat de rapportages niet onafhankelijk waren. Ook stelde hij dat de kantonrechter oordeelde dat hem geen verwijt valt te maken, wat de Raad niet volgde omdat de kantonrechter hierover niets had overwogen.
De Raad oordeelde dat gedaagde de feiten zorgvuldig heeft vastgesteld, dat appellant verwijtbaar werkloos is en bevestigde het bestreden besluit. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.