ECLI:NL:CRVB:2005:AU0499

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4763 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen boetenota geen bezwaarbesluit volgens Awb

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), legde aan gedaagde een boete op wegens het niet tijdig inzenden van jaarloonopgaven. De boetenota werd verzonden met het verzoek tot betaling. Gedaagde diende een bezwaarschrift in waarin werd gesteld dat de jaaropgaven tijdig waren ingediend en verzocht om kwijtschelding van de boete.

Appellant verklaarde het bezwaar tegen de boetenota niet-ontvankelijk omdat deze nota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank oordeelde dat hoewel de boetenota geen besluit is, het bezwaarschrift ook moest worden opgevat als gericht tegen het boetebesluit zelf.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en verklaart dat het bezwaarschrift gelet op de inhoud en strekking eveneens tegen het boetebesluit was gericht. De Raad veroordeelt appellant tot betaling van proceskosten aan gedaagde en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de boetenota geen besluit is en dat het bezwaarschrift ook gericht was tegen het boetebesluit.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/4763 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 22 juli 2004 onder kenmerk 03/2316 door de rechtbank Breda gewezen uitspraak.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juni 2005, waar namens appellant is verschenen mr. M.M. Odijk, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 27 juni 2003 is aan gedaagde een boete opgelegd over het jaar 2002 ten bedrage van € 2.054,-- wegens het niet (tijdig) inzenden van de jaarloonopgaven. Op 30 juni 2003 is de boetenota verzonden met het verzoek om te betalen. Naar aanleiding van deze nota heeft gedaagde een bezwaarschrift ingediend en appellant medegedeeld dat de jaaropgaven tijdig zijn ingediend en verzocht de opgelegde boete kwijt te schelden.
Bij besluit van 29 september 2003 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen de boetenota niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de boetenota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit 29 september 2003 gegrond verklaard en heeft daartoe overwogen dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de boetenota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, maar dat appellant gelet op de bewoordingen en strekking ervan het bezwaarschrift van gedaagde evenwel had moeten opvatten als (eveneens) gericht tegen het boetebesluit.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak van de rechtbank gekeerd.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de boetenota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb waartegen de mogelijkheid van bezwaar open staat. Eveneens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift van gedaagde gelet op de inhoud en strekking ervan zich richtte tegen zowel de boetenota als het boetebesluit. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht tot slot termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde van € 322,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 414,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.) A. Kovács