ECLI:NL:CRVB:2005:AU0493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens fictieve opzegtermijn van vier maanden
Appellant was sinds 1 juli 1997 in dienst bij Pink Roccade Industrious BV en verloor zijn functie door een reorganisatie. De arbeidsovereenkomst werd per 15 oktober 2002 ontbonden met een vergoeding. Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd voor de periode van de fictieve opzegtermijn van 4 september 2002 tot 1 januari 2003, omdat de opzegtermijn voor de werkgever in de arbeidsovereenkomst vier maanden bedroeg.
Appellant voerde aan dat de opzegtermijn onjuist was vastgesteld en dat de CAO en een deelarbeidsvoorwaardenovereenkomst (Davo) van toepassing waren, die een kortere termijn van twee maanden voorschreven. Hij stelde dat de langere termijn in de individuele overeenkomst nietig was wegens strijd met de CAO en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel omdat twee collega’s wel eerder een WW-uitkering kregen.
De Raad oordeelde dat de vier maanden opzegtermijn niet in strijd was met het Burgerlijk Wetboek en dat de Davo geen geldige aanvulling op de CAO vormde. De langere termijn in de individuele arbeidsovereenkomst was geldig en niet nietig. De Raad erkende dat bij twee collega’s een beoordelingsfout was gemaakt, maar dat dit geen reden was om de fictieve opzegtermijn van appellant te verkorten. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de WW-uitkering gedurende de fictieve opzegtermijn van vier maanden.